Goedkope sensoren voor fijnstof en stikstofdioxide worden al enkele jaren ingezet en getest. Voor het meten van ammoniak in de buitenlucht worden nog geen goedkope sensoren ingezet, terwijl ammoniak in de lucht wel een groot probleem vormt voor de natuur. Het RIVMRijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu doet daarom nu ook onderzoek naar sensoren die gebruikt kunnen worden voor het meten van ammoniak.

Stikstof

Er wordt veel gesproken en geschreven over stikstof.  Met stikstof wordt bedoeld stikstofoxides (veelal afkomstig van verkeer) en andere stikstofverbindingen zoals ammoniak afkomstig van o.a. veehouderijen. Beide dragen bij aan stikstofdepositie. Te veel stikstof(depositie) is slecht voor onze natuur, voor onze gezondheid en onze voedselproductie.

Ammoniak meten

Het RIVMRijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu meet op verschillende manieren ammoniak en stikstof(depositie). Dit gebeurt met precieze, maar dure meetapparatuur, gecombineerd met heel veel goedkope Palmesbuisjes. Die laatsten geven maandgemiddelde ammoniak concentraties. Er komen steeds meer goedkope(re) sensoren op de markt voor het meten van ammoniak. Daarmee kun je potentieel veel gedetailleerder naar ammoniak kijken. Dit is een uitgelezen moment om deze innovatieve technieken te bestuderen. Het RIVM onderzoekt daarom de betrouwbaarheid (kalibratie en validatie) van individuele ‘low-cost’ sensoren voor het meten van ammoniak.

Testen van goedkope sensoren

Na contact met diverse fabrikanten heeft het RIVM  6 verschillende ‘low-cost’ sensoren van 300 euro of minder aangeschaft. Het RIVM bouwt zelf een behuizing voorzien van elektronica. Ook zijn twee exemplaren aangeschaft die het midden houden tussen sensoren en duurdere apparaten in (prijsrange: 4-12 duizend euro). Het testen van de ammoniaksensoren gebeurt op het station Vredepeel van het Landelijk Meetnet Luchtkwaliteit. De eerste resultaten worden in januari 2021 verwacht. Als de sensoren voldoende betrouwbaar meten zullen deze in een ‘proof-of-principle’ meetcampagne in gebieden met intensieve en minder intensieve veehouderij worden ingezet.