Nova Fitness SDS011 sensor

“Ik meet meer fijn stof dan de officiële meetstations, hoe kan dat?” Dit is een veelgehoorde vraag van burgerwetenschappers aan het RIVMRijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu. Het antwoord is in veel gevallen: vocht. De goedkopere, optische sensoren zien piepkleine waterdruppels vaak aan voor stof. Grofweg zijn er twee oplossingen: de lucht in de sensor verwarmen of meetresultaten kalibreren. Wat zijn de voor- en nadelen van beide opties?

Steeds meer burgers gebruiken de SDS011 sensor voor het meten van fijn stof in de eigen achtertuin. Dit is een prima sensor als je de kosten en het gebruiksgemak afzet tegen resultaten. Binnen het project Luftdaten en de vuurwerkexperimenten van het RIVMRijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu meten veel burgerwetenschappers met de SDS011. Er worden ook andere sensoren gebruikt. Omdat het een optische sensor is, meet de SDS011 onder mistige omstandigheden naast fijn stof ook vocht.

Verwarmen

Door de lucht in de sensor te verwarmen, verdampen de druppeltjes. De sensor meet dan alleen nog het stof. De GGDGemeentelijke/gewestelijke gezondheidsdienst Amsterdam heeft hiermee ervaring opgedaan. “Ons doel is dat de burger een sensor in handen heeft die de data zo correct mogelijk weergeeft”, aldus Jaap Visser, teamleider Luchtkwaliteit bij de GGD Amsterdam. “Als astma patiënten regelmatig onterecht een veel te hoge waarde meten, zullen ze uiteindelijk stoppen met meten. Meten treft dan geen doel.”

Daarom experimenteert de GGD Amsterdam met het verwarmen van de lucht in de sensor. “We hebben in één van onze meetstations een experiment gedaan. Daarbij hebben we de lucht in sensor tot 50 graden verwarmd. Hiervoor hebben we een oude TEOM gebruikt, dit is een apparaat om uurlijkse concentraties fijnstof te bepalen. Hiermee kan de lucht stabiel worden verwarmd en worden aangezogen.” 

De GGD Amsterdam ontwikkelde nog een goedkopere manier om de lucht in de sensor te verwarmen: “Hierbij gebruiken we voor de aanzuiging van lucht een goedkope aquariumpomp. Voor de verwarming gebruiken we een goedkope regelaar. De eerste resultaten lijken goed. Als we helemaal tevreden zijn, dan delen we de uitkomsten, zodat burgers het kunnen namaken. Vooralsnog hebben we geen plannen om deze verwarmde sensoren zelf te verspreiden.” 

Naar verwachting heeft verwarmen een bijkomend voordeel: sensoren gaan langer mee. Dit komt doordat ze niet blootstaan aan een vochtige of natte omgeving. 

Kalibreren

Toch heeft het RIVM liever niet dat burgerwetenschappers de luchtvochtigheid in sensoren beïnvloeden. “Als iedereen een eigen methode hanteert, krijgen we onvergelijkbare meetresultaten. Voor het grootschalig verwerken van sensordata heb ik liever dat niemand corrigeert. Dan kunnen we dit als RIVM zelf doen”, aldus Joost Wesseling, senior onderzoeker bij het RIVM. 

“Naast verwarmen is het mogelijk om korrels die vocht opnemen in de sensor te stoppen. Dit kunnen droogkorrels van de bouwmarkt zijn of kattenbakkorrels. De mate van verwarming kan verschillen en het type en effect van de korrels verschilt.”

Daarom werkt het RIVM aan een manier om het vocht uit de meetresultaten te kalibreren. “Voor de SDS011 sensor kunnen we het effect van vocht vrij goed schatten. We gaan binnenkort een uurlijkse correctie aanbieden. Hiervoor maken we een bestand dat iedereen kan downloaden. Op ons dataportaal laten we nu de ruwe data zien, we gaan ook de gecorrigeerde data laten zien. Dit maakt de vergelijkbaarheid tussen sensoren beter.”