Miniatuurvoorbeeld

Inleiding

Fijn stof betreft alle deeltjes in de lucht kleiner dan 10 micrometer. Fijn stof is afkomstig van het verkeer, veehouderijen, verbrandingsprocessen (bijv. industrie) en natuurlijke bronnen (bijv. zeezout). Primair fijn stof is direct door menselijke activiteiten in de atmosfeer gebracht. Het deel van de fijnstofconcentratie dat in de lucht wordt gevormd, wordt secundair fijn stof genoemd. PM10 is één van de stoffen die bijdraagt aan smog.

Fijn stof wordt vaak afgekort tot PM, wat afkomstig is van de Engelse afkorting voor 'Particulate Matter'. Naast PM10 (fijn stof kleiner dan 10 µm) komt er ook steeds meer aandacht voor PM2,5, fijnstof kleiner dan 2,5 µm. Deeltjes kleiner dan 0,1 µm worden aangeduid als ultra fijnstof (UFP). Lees hier meer over ultra fijn stof.

Gezondheidseffecten

Blootstelling aan fijn stof leidt volgens Maas et al., 2015 naar schatting tot een gemiddelde levensduurverkorting van 9 maanden. Ook is berekend dat er 4,5 miljoen ziekteverzuimdagen extra worden opgenomen ten opzichte van een situatie zonder fijn stof in de lucht.

Typische concentraties

Het Compendium voor de Leefomgeving (2017) geeft informatie over concentraties van PM10 en PM2,5 in de afgelopen jaren in Nederland. Actuele meetwaarden staan op de website luchtmeetnet.nl.

Wettelijke grenswaarden

Voor PM10 is er een jaargemiddelde grenswaarde van 40 µg/m3 die niet mag worden overschreden en er is een etmaalgemiddelde grenswaarde van 50 µg/m3 die niet meer dan 35 keer per jaar mag worden overschreden. De jaarlijkse grenswaarde wordt in Nederland zelden overschreden. De etmaalgemiddelde grenswaarde wordt vooral in de omgeving van veehouderijen overschreden (berekeningen NSL, 2015)

Voor PM2,5 bedraagt de jaargemiddelde grenswaarde 25 µg/m3. In Nederland wordt daar al aan voldaan. Daarnaast zijn er normen voor (het terugbrengen van) de gemiddelde concentratie op stedelijke achtergrondlocaties (zie Compendium voor de Leefomgeving).

 

Meten van fijn stof

Binnen het Landelijk Meetnet Luchtkwaliteit worden concentraties van PM10 en PM2,5 gemeten. PM10 wordt gemeten aan de hand van een zogenaamde β-stofmonitor. β-straling (straal van elektronen) wordt door een filter met daarop fijn stof gestuurd. De verzwakking van de β-straling is een maat voor de concentratie van PM10. Sinds 2008 wordt ook PM2,5 gemeten. Dit gebeurt middels weging van filters waarop PM2,5 zich heeft verzameld (gravimetrie).

Goedkopere sensoren en complete meetapparaten meten vaak niet de massa fijnstof (in µg/m3) maar tellen het aantal deeltjes met groottes tussen 0,3 (afhankelijk van de sensor kan dat ook 0,5 of 1,0 micrometer zijn) en 10 micrometer met behulp van een LED of lasertje. Dit heet optisch meten. Er wordt uitgegaan van een gemiddelde dichtheid van het fijn stof in de lucht. Dit heeft als nadeel dat je niet precies meet hoeveel deeltjes met welke grootte in de lucht aanwezig zijn. Bovendien worden deeltjes kleiner dan 0,3 µm niet opgemerkt. Het zijn echter juist deze deeltjes die vrijkomen bij verbrandingsprocessen. Goedkopere sensoren zijn daarom niet geschikt om fijn stof als gevolg van het verkeer te meten.

Eisen voor het meten van fijn stof

Voor het meten van fijn stof is het vooral belangrijk om een zinvolle daggemiddelde concentratie te bepalen. Hierbij moet op zijn minst onderscheid kunnen worden gemaakt tussen een lager daggemiddelde (bijv. 10-20 µg/m3) en een hoger daggemiddelde (bijv. 30-50 µg/m3). De invloed van lokaal verkeer wordt minder duidelijk gemeten.

De PM2,5 concentraties zijn altijd iets lager dan die van PM10. De vereiste nauwkeurigheid is dan minimaal vergelijkbaar met die voor PM10.

Bron afbeelding: Beeldbank RIVM