Van fijnstofsensoren worden de uurgemiddelde gegevens op het dataportaal getoond. Standaard zijn dat de ruwe, ongevalideerde meetwaarden. Door op een sensor te klikken kunnen ook de gekalibreerde meetwaarden ingezien worden. Van sensoren voor stikstofdioxide worden ook uurgemiddelde gegevens getoond. Deze zijn tot stand gekomen door het toepassen van een experimentele kalibratie op de ruwe elektrische signalen van de sensor. Het dataportaal toont ook de uurgemiddelde meetwaarden van fijn stof en stikstofdioxide van de officiële meetstations in Nederland. We duiden dat aan als referentie-metingen. Linksonder in de grafiek kun je de gekalibreerde fijnstofwaarden of referentiewaarden van de dichtstbijzijnde station erbij klikken.

Naast sensorwaarden toont het dataportaal ook metingen van stikstofdioxide (en binnenkort ammoniak) met passieve samplers. Het gaat dan om maandgemiddelde waarden. Deze metingen worden gedaan met behulp van passieve meetbuisjes en moeten in het laboratorium worden geanalyseerd. De waarden die worden getoond zijn nog niet gekalibreerd door ze te vergelijken met referentiemetingen. Dat gebeurt namelijk vaak aan het eind van een project of na een jaar in een keer.

Met ruwe waarden bedoelen we de meetgegevens die direct uit de sensor (zoals fijn stof of de actieve metingen aan stikstofdioxide) of het laboratorium (zoals passieve metingen van stikstofdioxide) komen. De waarden zijn niet of beperkt gecontroleerd.  Ook zijn ze nog niet gekalibreerd. Op het dataportaal worden standaard de ruwe meetwaarden getoond. Alleen de waarden van sensoren voor stikstofdioxide hebben al een soort kalibratie ondergaan om de elektrische signalen om te zetten in concentraties.

Met gekalibreerde waarden bedoelen we de waarden die ontstaan nadat we op de ruwe waarden een kalibratie toepassen. Zie ook het antwoord op de vraag “Wat is kalibreren?”.  Door op een sensor voor fijn stof te klikken kunnen naast de ruwe waarden ook de gekalibreerde meetwaarden ingezien worden. Linksonder in de grafiek kun je de gekalibreerde waarden erbij klikken.

Kalibreren is een term die normaalgesproken gebruikt wordt voor het controleren en zo nodig aanpassen van het meetresultaat aan een controlemeting met een referentie-apparaat of door het aanbieden van een bekende concentratie.

Voor de fijnstofsensoren bedoelen we met kalibreren dat we een aanpassing maken op basis van andere gegevens, zoals vergelijkende metingen van hetzelfde type sensor met referentieapparatuur elders. Daarbij maken we gebruik van metingen van de officiële meetstations in Nederland. Uit onderzoek is gebleken dat de kalibratie voor PM2,5 vrij eenduidig is en goede resultaten oplevert. Voor PM10 kennen de resultaten wat meer onzekerheid. De fijnstofsensoren zijn gevoelig voor luchtvochtigheid. Vooral bij zeer hoge luchtvochtigheid (bijvoorbeeld als er mist is) geven ze soms zeer hoge pieken die niet realistisch zijn. In die situaties zorgt de kalibratiemethode voor minder hoge pieken, maar de invloed kan dan niet altijd helemaal tegengegaan worden. De metingen zijn in situaties met hoge luchtvochtigheid vaak niet betrouwbaar. Meer uitleg over de kalibratiemethode vind je hier: https://www.samenmetenaanluchtkwaliteit.nl/dataportaal/kalibratie-van-fijnstofsensoren

De kalibratie voor sensoren voor stikstofdioxide gaat anders. Bij deze sensoren is het namelijk nodig om de elektrische signalen van de sensoren te vertalen naar een concentratiewaarde. Dat doen we voor elke individuele sensor door deze vooraf gedurende enkele weken te vergelijken met officiële meetwaarden. Meer uitleg over de kalibratiemethode vind je hier: https://www.samenmetenaanluchtkwaliteit.nl/documenten/kalibratie-van-no2-sensoren

Voor de metingen van ammoniak en stikstofdioxide met passieve samplers maken we voor de kalibratie gebruik van vergelijkende buisjesmetingen op officiële meetstations in Nederland.

Op het dataportaal tonen we standaard de ruwe meetwaarden. De kleuren op de homepage zijn daarop gebaseerd. Er zijn soms momenten waarop de ruwe meetwaarden (erg) hoog zijn als gevolg van een hoge luchtvochtigheid. Dit terwijl de luchtkwaliteit in werkelijkheid niet slecht hoeft te zijn op die momenten. We hebben daarom een kalibratiemethode ontwikkeld om deze waarden te corrigeren (zie vraag wat is kalibreren?)

Indien we als RIVMRijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu meetgegevens in een project analyseren kijken we apart naar de momenten met zeer hoge luchtvochtigheid (bijvoorbeeld bij mist), omdat de onzekerheid in de meetwaarde op deze momenten veel groter is. Dit ondanks de kalibratie van de meetwaarden. De individuele sensoren reageren namelijk allemaal net wat anders op de hoge luchtvochtigheid. 

Kortom: de gekalibreerde meetwaarden zijn de beste gegevens, maar de fijnstofwaarden zijn bij zeer hoge luchtvochtigheid vaak niet betrouwbaar.

Een harde grens is moeilijk te trekken. We zien zeer hoge, niet realistische pieken in de fijnstofsensoren bij waarden vanaf pakweg 97 – 98 % gemeten op KNMIKoninklijk Nederlands Meteorologisch Instituut stations. Soms wordt door de sensor zelf ook de luchtvochtigheid gemeten, maar deze metingen zijn minder betrouwbaar dan die op de KNMI stations.

De metingen op de KNMI stations kunnen op de website van het KNMI worden geraadpleegd.

De weeramateurmetingen van WOW-Nl geven ook inzicht in de lokale luchtvochtigheid.

Met referentiewaarden bedoelen we metingen van de officiële stations in Nederland. Op het dataportaal worden de nog niet gevalideerde uurgemiddelde waarden van fijn stof en stikstofdioxide getoond.

De officiële meetapparaten voor fijn stof zijn goedgekeurd voor het bepalen van de etmaalgemiddelde concentratie. Dat is het gemiddelde over 24 uur (van middernacht tot middernacht). Gemiddeld genomen hebben deze etmaalgemiddelde metingen een onzekerheid van zo’n 15 procent. De meetresultaten van officiële meetapparaten voor individuele uren kunnen een grotere onzekerheid hebben. De referentiewaarden voor fijn stof worden gebruikt voor de kalibratie van de sensoren. 

In de grafiek van een sensor kun je de meetreeksen van “referentie verkeersbelast” of “referentie achtergrond” erbij klikken.

Dat zijn de uurgemiddelde waarden van twee officiële meetstations die het dichtst in de buurt liggen. Referentie verkeersbelast is een station dat representatief is voor een locatie met veel wegverkeer. Referentie achtergrond is een station dat niet direct beïnvloed wordt door bronnen zoals wegverkeer of industrie. Wanneer je ze aanklikt wordt de locatie van de stations in de kaart getoond. Je kunt zo een beeld krijgen van hoe dicht de meetwaarden van de sensor in de buurt liggen van die van officiële metingen in de buurt. Als het sterk afwijkt, kan dat een aanwijzing zijn dat óf het officiële meetapparaat óf de sensor niet goed functioneert. Uiteraard kan het ook betekenen dat er lokaal sprake is van een verhoging van de concentraties. Om dat te beoordelen kun je kijken hoe meetwaarden van sensoren in de buurt zich verhouden tot de officiële metingen.

Het kan natuurlijk zo zijn dat de concentratie op de locatie van de officiële  meting daadwerkelijk lager is dan de concentratie op de locatie van de sensor. Maar – zeker bij de ongevalideerde data – kan er ook iets anders aan de hand zijn. Mogelijke redenen zijn:

  • Metingen met verschillende apparaten verschillen nu eenmaal in enige mate. De uurgemiddelde metingen van de officiële apparaten en van de sensoren kennen beide een onzekerheid.  Dat de een lager is dan de ander kan binnen de marge van deze onzekerheid vallen. Dat wil zeggen dat we statistisch gezien niet kunnen vaststellen dat er echt een verschil is. 
  • Het is bekend dat de sensoren bij hoge luchtvochtigheid soms (erg) hoge uitslagen geven. Deze zijn niet realistisch. Zie ook vraag “Hoe is het verschil tussen ruwe en gekalibreerde meetwaarden van fijn stof te verklaren”. De officiële meting wordt niet beïnvloed door de hoge luchtvochtigheid en geeft op die momenten een betere uitslag.

Fijn stof heeft invloed op de gezondheid. Er zijn Europese grenswaarden gesteld aan de jaargemiddelde en daggemiddelde concentraties. De jaargemiddelde grenswaarden zijn  40 μg/m3 voor PM10 en 25 μg/m3 (vanaf 2020: 20 μg/m3) voor PM2,5. Daarnaast kent PM10 een etmaalgemiddelde grenswaarde van 50 μg/m3 die niet meer dan 35 keer per jaar overschreden mag worden. Ook bij concentraties onder de grenswaarde kunnen zich gezondheidseffecten voordoen. Toetsing aan de grenswaarden gebeurt met meet- en rekenmethoden waaraan wettelijke eisen worden gesteld. De sensoren waarmee gemeten wordt voldoen niet aan die eisen. Ze hebben niet de status van referentiemethoden. Dat maakt wettelijke toetsing aan grenswaarden van fijn stof niet mogelijk. De metingen kunnen wel indicaties geven van concentratieniveaus en het verloop van de niveaus in de tijd en ruimte.

Om de meetreeks van een bepaalde sensor te zien, klik je op het dataportaal de betreffende sensor aan. In de grafiek kun je linksboven de startdatum en de einddatum kiezen. Standaard is het een week terug, maar je kunt dat zelf aanpassen. Klik na het aanpassen op “Toon grafiek”.